dr. ir. M.G. Ydo

Martinus Gerardus Ydo is op 1 augustus 1913 geboren in Dordrecht. Na de HBS gaat hij Werktuigbouwkunde studeren aan de Technische Hogeschool in Delft. In 1936 studeert hij af bij prof. Landberg in het vak gereedschapswerktuigen. In die tijd vertoonde hij al een bijzondere interesse in de mens en zijn werk. Een aantekening van Ydo uit 1941:

"Ja, waarom werken wij? Dagelijks kunnen wij het schouwspel gadeslaan - wij kunnen er zelfs niet aan ontkomen en zelf worden wij erin meegesleurd: in de maalstroom van mensen die naar hun werk gaan. Wat bezielt hen toch, die dag-in-dag-uit, door weer en wind dezelfde tocht te ondernemen?"

Zijn militaire dienstplicht vervult Ydo als reserve-officier bij de Artillerieinrichting aan de Hemweg in Amsterdam, eerst in de productievoorbereiding, later als chef van een werkplaats met 300 mensen. Hier wordt Ydo voor het eerst geconfronteerd met "plezier in het werk". Een voorval aldaar treft hem zeer, waardoor hij dit later ook opneemt in de inleiding van zijn proefschrift.

"Als chef van een werkplaats liep ik elke morgen alle mensen na, waarbij mij telkens een flinke kerel van een jaar of veertig opviel, die op een krukje aan een werkbank met een klein apparaatje veertjes zat op te winden. Draad bevestigen - zoveel slagen van het handwiel - draad doorknippen - veertje losmaken en wegleggen. Een cyclus van ongeveer één minuut en dat dag in dag uit. Dit leek mij geen goed werk voor zo een boom van een kerel en ik vroeg hem: Je zult zeker graag eens wat anders doen? Tot mijn grote verbazing antwoordde hij: Alstublieft niet meneer, het gaat juist zo lekker. Ik had een kardinale fout gemaakt door te denken dat mensen dezelfde eisen aan hun werk stellen als ik. Ik had zijn werk niet door zijn bril bekeken, doch mijzelf op zijn krukje gedacht."

Na zijn diensttijd gaat Ydo in 1937 bij het bureau van Louwerse-Berenschot werken en wordt adviseur voor bedrijfsorganisatie. Daar voert Ydo ook diverse arbeidsstudies uit. Hij raakt niet alleen overtuigd van het nut ervan, maar leerde de weerstanden van de arbeiders tegen de rationalisatie kennen, te weten: angst voor werkloosheid, snijden van tarieven, de baas in zijn hemd zetten, zij voelden zich werktuigen in de handen van de bedrijfsleider, waardoor hun arbeidsvreugde werd gedood. Vanaf dat moment worstelt Ydo met het vraagstuk hoe de arbeider rationeler, efficiënter te doen werken en tegelijkertijd zijn plezier in het werk te vergroten.

Arbeidsvreugde

Bij het bureau en zijn collega’s vond hij geen weerklank. Het waren die-hards, die zich ver verheven voelden boven de arbeiders. Louwerse bracht hem daarom in kontakt met professor Goudriaan, die Ydo aanraadde om een onderzoek naar arbeidsvreugde uit te voeren, omdat dit onderwerp in de toekomst van enorm belang zou worden. Ydo voelt zich hierdoor aangesproken en hij besluit een dergelijk onderzoek op te zetten. Dat hij hierdoor niet meer bij Louwerse kon werken was voor Ydo geen beletsel om door te gaan en hij begint voor zich zelf. Het Adviesbureau voor Bedrijfsorganisatie ir. M.G. Ydo is daarmee een feit.

In de opdrachten die volgen ontwikkelt zich in de daarop volgende jaren geleidelijk de duidelijk eigen visie van Ydo op het organiseren van de samenwerking.

Tilanus-factoren

De kern van de aanpak van Ydo is dat het noodzakelijk is om eerst de organisatie te verbeteren, voordat de berekende tarieven worden ingevoerd. In die jaren worden ook de kernbegrippen ontwikkeld, die tot op heden nog steeds binnen het bureau worden gebruikt. Deze werden onder meer geconcretiseerd in zaken als de plaat productie, de Tilanus-factoren en andere visualisaties.

plaat productie

de Tilanus-factoren 

 

Wetenschappelijk

De achterliggende gedachte werd wetenschappelijk verantwoord in het proefschrift van Ydo, dat uit 1948 stamt. De titel ervan, Plezier in het werk, duidde erop dat plezier in het werk en productiviteit (essentieel om tot opbouw te komen in die naoorlogse periode van grote tekorten) geen tegengestelde begrippen zijn. Integendeel, zij gaan hand in hand en vormen gezamenlijk de weerslag van een goede organisatie (door Ydo gedefinieerd als de samenwerking van mensen voor een gemeenschappelijk doel).

Gedurende zijn jaren als leider van het adviesbureau dat zijn naam draagt, is hij een belangrijke voortrekker in het ontwikkelen en uitdragen van deze begrippen. Vele publicaties van zijn hand vormen hiervan de getuige. Zijn boeken Taylor, over het karakter van chefs en ondergeschikten en Prestatie en beloning in een nieuw licht zijn ook bedoeld om zijn inzichten over te dragen aan anderen.

Nederland schaft in de jaren zestig de tariefbeloning af. Arbeidsstudies en de daaraan verbonden advisering op de werkvloer komen in het gedrang. Daardoor en door de inzichten van de adviseurs verandert het bureau geleidelijk van karakter. In 1972 treedt Ydo terug uit het bureau en wordt de rechtspersoon van het bureau gewijzigd in een b.v. De persoon Ydo blijft als commissaris en adviseur verbonden aan het bureau. In 1979 treedt hij terug als commissaris en is dan formeel niet meer verbonden aan ons bureau. Het verdriet is groot als hij op 22 maart 1981 geheel onverwacht overlijdt.

In het Liber Amicorum dat ter gelegenheid van de 65e verjaardag van M.G. Ydo in 1978 wordt uitgegeven, schreef de toenmalige directeur G.A. Bakker:

"Zijn persoon en inzichten hebben zijn bureau gevormd. Hij trok medewerkers aan, niet alleen om opdrachten te bemannen, maar evenzeer om als gesprekspartner het vakgebied gestalte te geven en voortdurend te innoveren. Door dat tweede aspect zijn vrijwel alle medewerkers en oud-medewerkers te herkennen: ze spreken vanuit één conceptie, ze spreken één ‘taal’."